Hoe wordt wijn gemaakt?

Om wijn te maken heb je druiven nodig. De rijpe druiven worden meestal per tros geplukt. De trossen gaan naar pershuizen.

In de pershuizen begint de wijnbereiding met het kneuzen of persen van de druiven. Het sap kan op twee manieren uit de druiven worden gehaald. De eerste manier is dat je alleen het sap uit de gekneusde druiven (pulp) gebruikt. De tweede manier is dat je naast het sap uit de gekneusde druiven ook nog het sap gebruikt dat uit het pulp kan worden geperst. Na het persen volgt de eerste gisting.

Druivensap is erg zoet, er zitten dan ook veel suikers in. Gisting houdt in dat deze suikers worden omgezet in alcohol en koolzuurgas (=bubbels). Het sap verblijft hiervoor zo’n 10-15 dagen in een open vat. Je kunt het nu al (jonge) wijn noemen. De wijn wordt overgebracht naar houten vaten (fusten) om te rijpen. Onder andere zuurstof uit de lucht zorgt er dan voor dat kleur en smaak veranderen. Om de wijn helder te krijgen wordt deze een paar keer verplaatst naar een schoon fust.

Na een half jaar is het tijd voor de tweede gisting (nagisting). Gebeurt dit in een open vat dan verdwijnen de bubbels. In een gesloten tank lossen de bubbels in de wijn op en dan ontstaat wijn met bubbels. Vindt de nagisting in een afgesloten flessen plaats dan ontstaat er wijn met nog krachtigere bubbels, zoals champagne. De wijn gaat pas in de flessen wanneer het voldoende helder is en er voldoende smaak is gevormd. Wanneer de wijn in flessen zit kan een wijn verder rijpen en kunnen er nog meer smaken worden ontwikkeld

Wijnsoorten